Oud en nieuw

door Klaas Rozendal (1942)

 

Inleiding:

Broeder Rozendal  schreef deze Bijbelstudie in 1942  voor u om te

lezen en te bestuderen. Een paar zinnen zijn aangepast! Dit

is echter een klein gedeelte van de gehele studie die hij schreef! 

 

 

OUD EN NIEUW

 

 

De vraag "Waar begint het Nieuwe Testament?" is van het grootste belang. Het ant-woord geeft de Bijbel zelf in Heb. 9:16 en 17: "Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers tussen kome; want een testament is vast in de doden, dewijl het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft."

 

De nieuwtestamentische tijd begint daarom pas bij de dood van Christus en niet bij Zijn geboorte.

 

Het einde der oude Bedeling (die der Wet) en het begin der nieuwe Bedeling (die der Genade) vinden dus respectievelijk hun einde en hun begin bij de dood en opstanding van Christus. Dat dit zo is werd ook symbolisch aangetoond toen het voorhangsel van de tempel in tweeën scheurde en wel "van boven naar beneden"; dus niet tengevolge van de aardbeving, maar door Gods hand.

 

Wij mogen daarin een bewijs zien, dat de bediening der Wet, die de heilige God streng afscheidt van de onheilige mens en slechts door middel van de speciaal daartoe aangewezen en geheiligde "hogepriesters" contact mogelijk maakt, toen was afgelopen.

 

Terwijl de bediening der Genade, waarbij God de in Christus geheiligde mens weer tot Zich opheft en rechtstreeks in gemeenschap met hem treedt, in zijn volle omvang begon.

 

Bij het lezen van de Bijbel is het zeer noodzakelijk het onderscheid tussen beide bedelingen steeds vast te houden.

 

Indien we dat niet doen, maar "Wet" en "Genade" vermengen, dan vertroebelen wij de Goddelijke openbaring.

 

"Recht snijden"

Paulus schrijft aan Timotheüs: "Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het woord der Waarheid recht snijdt." 2Tim. 2:15 De Engelse tekst luidt: "recht verdeelt".

 

Het Woord van God heeft zijn eigen natuurlijke verdeling. Het spreekt over "Israël", over de "Volkeren" en over de "Gemeente". Wanneer men dus hetgeen op Israël betrekking heeft gaat toepassen op de Gemeente, dan snijdt men het Woord van God niet recht.

 

God gaf aan Israël Zijn Wet en deze Wet was van kracht "totdat het zaad (Christus) zou gekomen zijn." Gal. 3:19 Dus toen het Zaad kwam, hield de Wet op van kracht te zijn, en heerste de Genade.

 

De scheiding tussen deze twee werd gevormd door de dood en opstanding van de Heere Jezus Christus.

 

Jezus Christus en de apostel Paulus

Daarom is er ook zulk een merkbaar verschil tussen de prediking van onze Heiland en die van de apostel Paulus. De Heere Jezus stond in Zijn prediking vóór het kruis "onder de Wet", Gal. 4:4 en Paulus als dienaar van Jezus Christus ontving van Hem de boodschap, die ná het kruis van kracht geworden was. Wel stelde de Heer de Genade, die in Hem openbaar zou worden aan Israël voor. Zo lezen we b.v. in het Johannes Evangelie: "Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht (d.i. recht) gegeven kinderen Gods te worden, nl. die in Zijn Naam (d.w.z. in Hem Zelf) geloven." Joh. 1:12

 

Deze uitspraak heeft natuurlijk betrekking op de oudtestamentische tijd, maar spreekt over het toen nog toekomstige Nieuwe Verbond. Kindschap ontstaat immers door geboorte. Om een kind van God te worden moet iemand dus wedergeboren worden.

 

De wedergeboorte werd eerst mogelijk door de opstanding van Jezus Christus. 1Petr. 1:3 Christus is de "Eerstgeborene" onder vele broederen. Rom. 8:29 De gemeente van Christus neemt dan ook een zéér bijzondere plaats in onder de oudtestamentische en nieuwtestamentische gelovigen.

 

(Onder nieuwtestamentische gelovigen verstaan we nl. ook hen die na de opname der Gemeente behouden zullen worden, dus "de grote schare, die niemand tellen kan": zij die uit de grote verdrukking behouden worden, alsook het toekomstige Israël en de bekeerde volkeren na de wederkomst van Christus in Zijn Koninkrijk)

De gemeente van Christus is Zijn lichaam, en bij elke natuurlijke geboorte komt eerst het hoofd en daarna het lichaam ter wereld.

Zo is het ook met Christus en Zijn lichaam, zodat zij die in Christus geloofden tijdens Zijn omwandeling op aarde eerst kinderen Gods konden worden ná Zijn dood en opstanding.

 

De bedeling der genade

Onder de bedeling der genade waarin wij sindsdien leven kan in zekere zin worden beschouwd als een een tussengeschoven periode waarin de Gemeente van Christus uitgeroepen wordt als "een volk voor Zijn Naam". Hand. 15:14

In afwachting daarvan wordt thans de gemeente van Christus gevormd door de pre-diking van een gestorven, begraven en opgestane Heiland. Zij werd door de oudtesta-mentische profeten niet gezien noch openlijk voorspeld. Het is een verborgenheid die nu echter geopenbaard is.

 

Paulus zegt: "Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der Genade Gods, die mij gegeven is aan u, deze verborgenheid welke in andere eeuwen de kinderen der mensen niet is bekend gemaakt nl. dat de Heidenen zijn mede-erfgenamen en van hetzelfde lichaam, en mede-deelgenoten Zijner belofte in Christus door het Evangelie." Ef. 3:1-6

 

Thans leven wij niet onder de Wet, maar onder de Genade. Dat ontkent geen enkele Christen. En toch, waarom leven dan zovelen van hen praktisch tóch onder de Wet? Dat komt, omdat men gelooft te kunnen worden gerechtvaardigd door nauwgezet volgensde Wet te leven en te trachten deze met Gods hulp en in Gods kracht zoveel mogelijk na te komen.

 

Men ziet in de Genade als het ware een hulp om de Wet na te leven. Wij hopen echter in het vervolg van deze beschouwing duidelijk te laten zien dat die opvatting in strijd is met het wezen der Genade, zoals dat ons door God bij monde van de apostel Paulus is geopenbaard.

 

Als Paulus zegt, dat wij niet onder de Wet zijn, maar onder de Genade, bedoelt hij daarmee dat de Wet niet onze levensregel moet zijn! Paulus openbaarde geen Wet, geen ethische levensregel, maar een persoon, nl. Christus. Hij zegt: "Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij."

Gal. 2:20